Scenarioschrijven voor fictie

Volgende fases te onderscheiden:

  • Synopsis: startpunt, belangrijkste gebeurtenissen. De structuur van begin-midden-eind en de onderlinge verbanden. Die logische lijn is het belangrijkste, niet het waarom. Een A4-tje lang.
  • Schrijven van de karakterbijbel en de disturbance scene.
  • Step-outline: scene-synopsis. Opdeling in scenes. Wat gebeurt er in welke scene? Volgorde wordt hier bepaalt: scenes worden vaak genummerd.
  • Treatment: Hoe gebeurt het in de scene: de mis-en-scene (alles voor de camera). Hier wordt de ruimte ingevuld. Geen dialogen, wel wat er gesproken wordt.

  • Scenario: de dialogen
  • Draaiboek: storyboard (taak van de regisseur).
  • Opname en postproductie: montagedraaiboek

Inhoudelijke principes klassiek scenariomodel

1. drama (=hoofdhandeling). Handeling wordt opgestart door een conflict. Een conflict dwingt de hoofdpersoon van alles te gaan doen.

Essentieel: personaliseer het conflict: bijvoorbeeld een persoonlijk drama een algemener conflict aankaarten.

2.beeld: geeft directe informatie (itt tot het woord). Bij film is het beeld het belangrijkste.
2a: de arena
2b: de props/requisites

Der arena en de props geven inzicht in de personages. Doe geen close ups van een prop, maar combineer ze met een handeling van personen.

3 akten

1ste akte: arena, conflict (kort). In de eerste 10 minuten moet er een conflict zijn en moet de kijker gegrepen worden.
2de akte: obstakels te overwinnen voor de oplossing / tot handeling overgaan.
3de akte: oplossing / afwikkeling (kort).

Elke akte bestaat ook weer uit 3 delen: gegevens, drama, gevolg.

Vanaf het moment dat de film start gaat er een sneeuwbal rollen en wordt een lawine. De eerste minuut verwijst naar de laatste minuut.

Stappen

1. Idee: thema, beeld
2. Synopsis: slechts de standpunten

ad 1: "oorlog is slecht" is stilstand, geen goed thema. een beter thema is: "Oorlog maakt mensen slecht". Dit veronderstelt namelijk ontwikkeling in het verhaal.

Pijn-motief-intentie-doel

->bereiken van dat doel is onzeker
->disturbance scene bemoeilijkt het bereiken van het doel

A: de onverstoorde fase
B. Verstoring
C. Strijd
D. Oplossing

-A, B en C kunnen het begin zijn, maar de onverstoorde fase moet altijd geïmpliceerd worden.

-Strijd: conflict door disharmonie van intenties, bijvoorbeeld obstakels, omstandigheden en tegenintenties van anderen.

-Drama: Conflict start een handeling op: het dwingt de hoofdpersoon dingen te gaan doen.

Het beeld

Betekenis geven in een film:
1. Zorg voor geschikte
arena
2. Dan de
props
3. Combineer de props met de
handelingen van de acteurs
4. Denk dan pas aan de
dialogen
5.
geluiden en muziek

Doe het in deze volgorde. Een acteur schopt een tekkel. Dat zegt iets over zijn karakter. Doe de handelingen wel subtiel: een vrolijk fietsende Monique van der Ven om haar innerlijke vrolijkheid te laten zien.

-Dialogen moeten werkelijk en noodzakelijk zijn.
-Dialogen moeten ook echt goed zijn.

-Beelden zeggen meer dan dialogen/tekst

Denk ook aan de volgende punten:
-Wat is het doel van deze scene?
-Is dit de beste manier om dit doel over te brengen?
-Heb ik deze scene nodig?
-Brengt deze het verhaal verder?
-Is mijn verhaal aan het ontwikkelen?
-Is mijn personage door deze scene anders dan in voorgaande sceneπs?
-Weet ik waar hij vandaan komt waar hij naar toe gaat?
-Reflecteren deze scènes het verhaal wat ik wil vertellen?

Beginscene

Begin te schrijven aan de openingsscene als je het eind al weet.

-Vanaf het begin gaat de sneeuwbal rollen.
-De eerste minuut verwijst naar de laatste.
-het genre moet zo spoedig mogelijk duidelijk zijn.
-bij uitbreiding: ook de sfeer in de film neerzetten. Maar pas op: regen hoeft niet voor iedereen melancholisch te zijn.
-de 6 w'tjes.
-informatie moet eenduidig zijn.

Drie soorten openingsscenes

-big bang: krachtig begin, zoals bij thrillers. Probleem: hoe kracht aan te houden. Moet niet als nachtkaars uitgaan.
-geleidelijk begin: romances, tergend wachten op je geliefde.
-flashforward/samenvatting: buiten de chronologie van de film:
thematisch gegeven.


6 w's

Moeten zo snel mogelijk beantwoord worden in de film:
-Wie speelt erin?
-Waar?
-Waarover?
-Wanneer?
-Waarom?

->Zorg voor zoveel mogelijk informatie in één. Met counter action, metafoor, etc.
-Hoe meer info je de kijker geeft en hoe eerder, hoe sneller je hem vervolgens kan bespelen
-Je hebt maar 90 min. (of 45 min.): laat daarom alleen betekenisvolle beelden zien.

Andere beginscenes: Flash foward (thematisch) of Bigbang.

Verhaallijn

Driehoek: personages, verhaal en de setting. Zit je vast op de personages, kijk dan naar de correlatie tussen de andere twee. Bijvoorbeeld: welke kleren passen bij het personage? Als de setting een zwembad is en het verhaal gaat over een onschuldig volkje, dan is de correlatie tussen de twee bijvoorbeeld zwemvliezen.

Suspense

Niet de kijker zo weinig mogelijk informatie geven, maar juist zo veel mogelijk geven en er dan mee spelen. Bijvoorbeeld een mes laten zien, waardoor dreiging ontstaat. Het mes en de dreiging van van de moord is belangrijker dan de moord zelf.

Props

Props kan je met elkaar in conflict brengen voor spanning: bijvoorbeeld een barbiepop die wordt onthoofd.

Twist

...

Cliches

Speel met cliches, geef ze net een andere betekenis.